
















A
Aalstreep: Streep donkergekleurde haren op lichte ondergrond, lopend van schoft tot staartaanzet (bijv. bij een mopshond)
Aanslaan: Beginnen met blaffen als reactie ergens op.
Aantrekken: Voorzichtig volgen van het wild tot dit vastligt (lang blijft liggen) en zich niet meer verplaatst.
Aardhonden: Honden die het wild onder de grond (in holen) moeten zoeken.
Aberrant: Afwijkend.
Abnormaal: Afwijkend van de norm.
Abrupt: Plotseling
Achterhand: De achterbenen en de bekkengordel.
Achterhoofdsknobbel: Jachtknobbel. Kam op het achterhoofdsbeen.
Achter middenvoet: Het deel van het achterbeen tussen de hak en de tenen.
Adel: Geeft een harmonische belijning, een trotse en edele verschijning aan, zonder de bruikbaarheid te verliezen. Duidt ook op symmetrie, fierheid en zelfbewustheid.
Adolescent: Jeugdig.
Adult: Volwassen.
Affix: Kennelnaam als achternaam gebruikt. Zie: suffix.
Afgezette borst: Een te sterk gekromd zwaardvormig aanhangsel van het borstbeen (borstbeen te kort).
Africhten: Het aanleren bepaalde oefeningen of werkzaamheden op commando uit te voeren.
Agouti: Peper en zout. Benaming om wildkleur aan te geven.
Agressie: De hond kent onder meer: angst - agressie, dominantie - agressie, verdedigende agressie, instinctieve agressie en gestoorde agressie.
A.K.C.: American Kennel Club; Amerikaanse overkoepelende kynologische organisatie. Wordt ook voor de door hen uitgegeven stamboom gebruikt.
Alert: Vrijmoedig bewegend, geboeid lijkend door iets.
Alimentair: met betrekking tot de voeding.
Allel: Elk van de verschillende vormen van hetzelfde gen.
Allround keurmeester: Keurmeester die bevoegd is alle rassen te keuren.
Amandelvormig: Aanduiding voor de ovale vorm van het oog.
Anorchidie: Het niet aanwezig zijn van testikels.
Aplasie: Onvolkomen ontwikkeling.
Appèl: Gehoorzaam, alert gedrag. (Fik staat keurig onder appèl)
Appelhoofd: Bol voorhoofd, vaak met uitpuilende ogen
Apporteren: Het bij de jager brengen van het geschoten wild; het terugbrengen van een weggeworpen voorwerp.
Apron: Witte kraag van Schotse Herder (Collie) en Shetland Sheepdog (Sheltie).
Artemis-proef: Zware jachthondenproef voor A-honden van 24 maanden en ouder, waarbij uitsluitend met koud wild wordt gewerkt.
B
Baard: Rijkelijke beharing aan de onder- en voorzijde van de onderkaak.
Bakken: Sterk ontwikkelde wangspieren.
Bananenstaart: Gecoupeerde staart die met een sterke boog omhoog en naar voren buigt (diverse terriers).
Basset: Zie brakken.
Bastaard: Honden uit rasloze ouderdieren of ouders van verschillend ras.
Beet: Manier waarop snijtanden in onder- en bovenkaak t.o.v. elkaar staan.
Behang: Oren plus de beharing ervan.
Beharing: Synoniem voor vacht.
Behendigheid: Tak van de hondensport waarbij parcoursen met hindernissen moet worden afgelegd.
Bek, harde ~: Tegenovergestelde van zachte bek.
Bek, zachte ~: Het voorzichtig op pakken en apporteren van wild, dat het niet beschadigd wordt.
Beladen schouders: Te zwaar ontwikkelde spieren aan de binnenzijde van de schouderbladen.
Belijning: Lijnen die het silhouet van de hond vormen.
Belton: Schimmelpatroon bij Engelse setters. Blue belton: wit met zwarte vlekjes; Lemon belton: Wit met citroen-kleurige vlekjes; Liver belton: wit met bruine vlekjes; Orange belton: wit met oranjekleurige vlekjes.
Bench: Hok of kooi op tentoonstellingen voor het huisvesten van de ingeschreven honden.
Berghonden: Rassen die voor bewaking en bescherming van de kuddes in bergachtige gebieden ingezet worden.
Beschutter: Een brak- of windhond die de jagende honden belette het wild te doden of te verscheuren.
Bevedering: Lange haren aan de achterzijde van de benen, van de staart en aan de oren.
Black en Tan: Tankleurige aftekeningen aan de achterkant van de onderpoten, binnenkant van de oren, buik en keel en vlekjes boven de ogen zoals bij de Dobermann en Rottweiler.
Bone: Botsubstantie.
Borstdiepte: Loodrechte afstand tussen schoft en borstbeen.
Bovenbelijning: Lijn die vanaf het achterhoofd via nek, schoft, rug, lendenen en kruis tot de staartaanzet loopt.
Bovenvacht: Harde, langere haren die boven de ondervacht uitsteken.
Bovenvoorbijten: Bij gesloten gebit staan de bovensnijtanden vóór de ondersnijtanden zonder elkaar te raken.
Brachiocephalen: Honden met een brede schedel (o.a. bij dogachtige honden).
Brakken: Lopende honden die luid blaffend het wildspoor moeten volgen (Duits: Bracke; Engels: Hound; Frans: Chien courant; Italiaans: Segugio).
Brand: Vaalgele tot roestrode aftekening bij donkergekleurde honden aan hoofd, borst, benen, voeten en onder de staart (o.a. Dobermann, Rottweiler, Dashond, Berner Sennenhond).
Breien: Zie kruisen.
Broek: Bevedering van de achterbenen (tot spronggewricht).
Broken coat: Oude term voor ruwe, harde vacht.
C
CAC: Afkorting van 'Certificat d'Aptitude au Championnat'. Kampioenschapsprijs waarvan er in principe 4 nodig zijn om de titel KAMPIOEN te verwerven.
CACIAG: Afkorting van 'Certificat d'Aptitude au Championnat International d'Agility'
CACIB: Afkorting van 'Certificat d'Aptitude au Championnat International de Beauté'. Kampioenschapsprijs om de titel Internationaal Kampioen te verwerven.
CACIL: Afkorting van 'Certificat d'Aptitude au Championnat International des Courses de Lévriers'
CACIOB: Afkorting van 'Certificat d'Aptitude au Championnat International d'Obéissance'
CACIT: Afkorting van 'Certificat d'Aptitude au Championnat International de Travaille'. Kampioenschapsprijs om de titel INTERNATIONAAL WERKKAMPIOEN te verwerven.
Carnivoor: Zoogdier dat van vlees leeft (vleeseter). Anderen zijn de herbivoor (planteneter) en omnivoor (alleseter).
Chondrodystrophie: Onvoldoende of verlate verbening van het kraakbeen, waardoor misvormingen kunnen ontstaan.
Chocoladekleur: Voornamelijk bij jachthonden gebruikte benaming voor een donkerbruine kleur.
College van Beroep: Een college van 3 personen dat een beroep tegen een besluit van de Raad van Beheer behandelt en een uitspraak formuleert die voor beide partijen aIs bindend advies geldt.
Couperen: Het verkleinen van oorschelpen en het inkorten van de staart.
Cryptorchisme: Het verschijnsel dat beide testikels niet in het scrotum zijn afgedaald.
D
Dameshondjes: Vroegere benaming voor kleine gezelschapshonden.
Daskleurig: Patroon van kleuren dat ontstaat door een mengeling van zwarte, gele en grijze haren. Elk afzonderlijk haar kan ook deze drie kleuren bevatten.
Dekhaar: Lange, hardere haren van de bovenvacht.
Derde ooglid: Bevindt zich in de binnenste ooghoeken, is normaal donker van kleur en nauwelijks zichtbaar. Het wordt vaak aangeduid als bindvlies.
Dip: Inzinking in het rugprofiel vlak achter de schoft.
Diskwalificeren: Het niet in aanmerking komen voor een kwalificatie ten gevolge van een fout die in de standaard vermeld staat.
Dogachtigen: Groep van honden met brede schedels.
Dolichocephalen: Honden met een lange schedel (windhonden).
Downfaced: Een in een gebogen lijn verlopen schedel, van opzij bezien van achterhoofdsknobbel tot aan de neusspiegel (zoals bij een Bullterrier)
Draadhaar: Een ruwharige bovenvacht die uit zeer harde haren bestaat.
Draf: Een manier van voortbewegen waarbij steeds een diagonaal benenpaar het lichaam ondersteunt.
Driekleurig: Aanduiding voor een hond met de kleuren zwart, wit en roodbruin, zoals bij de Sennenhonden.
Droog: Een strak om het lichaam gespannen huid, zonder plooien en/of rimpels.
Drijfhond: Jachthond die als taak heeft het wild uit de dekking te drijven.
E
Ectropion: Het naar buiten krullen van het ooglid (een erfelijke afwijking).
Eénsporig gaan: Zie éénsporig gaan
Entropion: Het naar binnen krullen van een ooglid (een erfelijke afwijking).
Expositie: Een evenement waar de ingeschreven honden op hun onderlinge schoonheid beoordeeld worden.
Expressie: De gezichtsuitdrukking van de hond.
Exterieur: De uiterlijke verschijningsvorm van de hond, die voor elk ras verschillend is.
Enceinte: Omrasterde ruimte op een tentoonstelling voor enkele honden tezamen.
Epagneul: Zie staande honden.
F
Faking: Aanbrengen van veranderingen aan het extererieur om de keurmeester te misleiden.
Fauve: Kleuraanduiding die loopt van tarwegeel tot rood-bruin.
Fawn: Beige- of reekleurig.
Field trial: Zie veldwedstrijd.
FCI: Afkorting van 'Fédération Cynologique Internationale', de internationale overkoepelende organisatie op kynologisch gebied.
Flankeren: Het systematisch (zigzaggend) afzoeken van een terrein door een jachthond.
Fokker: De persoon die ten tijde van de worp eigenaar van de moederhond is.
Flyball: Tak van hondensport waarbij over een hindernissenparcours een balletje moet worden geapporteerd.
Franje: Lange beharing aan de oren.
Frans staan: Met de voorvoeten uitgedraaid (naar buiten gedraaid) staan.
Front: Meestal worden hiermee de voorbenen bedoeld. Ook vooraanzicht (borstpartij en voorbenen)
G
Gaan, nauw ~: Het te dicht naast elkaar plaatsen van de voorbenen en/of achterbenen.
Gaan, éénsporig ~:Het tijdens de draf zodanig neerzetten van de voeten dat hun sporen één lijn vormen.
Gebonden gaan: Het te weinig naar voren en naar achteren plaatsen van de achterbenen.
Galop: Snelste wijze van bewegen, waarbij het lichaam zich regelmatig in een zwevende toestand bevindt.
Gangwerk: De manier waarop een hond zich voortbeweegt.
Garnituur: Zware wenkbrauwen, samen met snor en baard.
Geblokt: Zie vierkant.
Gedrukt: Angstig, schrikkerig.
Gestrekt: De lengte van de hond is meer dan de schofthoogte.
Gestroomd: Min of meer duidelijke streep donkere haren op een lichte ondergrond.
Getijgerd: Onregelmatig vlekkenpatroon als bij blue merle (o.a. Dashonden).
Gevlekt: Kleine vlekken op een witte ondergrond.
G & G: Afkorting van Gedrag en Gehoorzaamheid'. Tak van de hondensport waarbij de hond leert hoe zich te gedragen t.o.v. andere honden en personen, en gegeven commando's uit te voeren.
Gladharig: Kort, aanliggend haar zonder ondervacht.
Glasoog: Oog met blauwe iris.
G-hond: Hond die de kwalificatie goed krijgt op tentoonstelling.
Griffon: Aanduiding voor ruwharige honden.
Groep: Op een tentoonstelling kunnen drie of meer honden van eenzelfde ras/variëteit als groep worden geshowd
Groepskeurmeester: Een keurmeester die bevoegd is een rasgroep te keuren (bijv. alle dogachtigen, alle wind-honden).
Grond beslaan, veel ~: in stand: benen wijd uit elkaar geplaatst. In beweging: ruim uit grijpend gangwerk
H
Haakstaart: Zodanige knik in de staartwervels dat een haakse bocht ontstaat.
Halfwindhonden: Windhonden met eigenschappen van brakken die de gebogen rug missen, staande oren hebben, zowel op zicht als op reuk jagen en ook apporteren.
Hals geven: Het blaffen of huilen van jachthonden.
Hangend oor: Oor dat vlak langs het hoofd hangt.
Harlekijn: Witte grondkleur met grotere en kleinere zwarte vlekken zoals bij een Duitse Dog.
Hazenrein: De eigenschap van een jachthond om onbeschoten hazen niet te achtervolgen.
Hazevoet: Ovale voet. De tenen zijn lang en krachtig.
HD: Zie heupdysplasie.
Herdershonden: Groep van honden die op enige manier met vee te maken hebben.
Hertehals: Gebogen hals die lang en dun is (Italiaans Windhondje).
Heupdysplasie: Misvorming van het heupgewricht (meestal afgekort tot HD).
Hoeking: Hoek die gevormd wordt door beenderen of beenformaties van de ledematen.
Hoogbenig: Voor terriers met een normale beenlengte wordt deze term vaak gebruikt. Als de verhouding borstdiepte-bodem afstand door een ondiepe borst of lange onderarm niet optimaal is gebruikt men de term hoogbenig.
Hound staan: Bij rechte voorbenen staan de voeten iets naar binnen gedraaid.
Houndmarked: Wit met rode aftekeningen en een zwart zadel.
Hubertusklauw: Vijfde teen aan de binnenzijde van het achterbeen.
I
Inschrijfformulier: Formulier om een hond voor een kynologisch evenement in te schrijven.
Inschrijfgeld: Het bedrag dat verschuldigd is voor deelname aan een kynologisch evenement.
Inteelt: Paring van verwanten zoals zuster en broer, moeder en zoon, dochter en vader.
Isabel: Een van bruinachtige vaalgele kleur
J
Jachtknobbel: Kam op het achterhoofdsbeen (achterhoofdsknobbel).
K
Kameelrug: Gebogen rug, waarvan de welving te dicht bij de schoft begint.
Kampioen, Internationaal - : Titel, verleend door de FCI na het behalen van de vereiste internationale kampioenschap prijzen (CACIB), onder vastgestelde voorwaarden.
Kampioen, Nationaal -: Titel, verleend door de overkoepelende landelijke organisaties na het behalen van de vereiste kampioenschap prijzen. De voorwaarden zijn per land verschillend.
Kampioen, Nederlands -: Titel, verleend door de raad van Beheer op Kynologische Gebied in Nederland, na het behalen van in principe vier kampioenschap prijzen, onder bepaalde voorwaarden.
Kampioenschapsclubmatch: Clubmatch van een rasvereniging waar kampioenschap prijzen en reserve kampioenschap prijzen behaald kunnen worden.
Kampioenschapsprijs: Zie CAC.
Karperrug: Sterker dan nogal gewelfde lendenpartij (Franse Buldog).
Kattevoet: Kleine, ronde voet.
Keelhuid: Ruim hangende, losse huid rond de keel.
Keurmeester: Iemand die op een exposietie honden beoordeelt en kwalificeert.
Kissing spots: Kleine, roodbruine vlekjes op de wangen van de Black and Tan Terrier.
K.M.S.H.: Koninklijke Maatschappij Sint-Hubertus
Knikstaart: Staart waarvan 2 wervels in een knik met elkaar vergroeid zijn.
Knopoor: Driehoekig, hoog aangezet oor dat zodanig naar voren valt dat de gehoorgang afgesloten is.
Koehakkig: Spronggewrichten die niet parallel, maar naar binnen gebogen staan.
Koppel: Twee honden van hetzelfde ras of dezelfde variëteit, ongeacht het geslacht.
Kortbenig: Door verkorting van de beenderen van de ledematen zijn de benen korter dan bij de normaal gebouwde hond.
Kortharig: Korte bovenvacht met ondervacht.
Korte jacht: Jacht met het geweer.
Kraag: Langere, iets uitstaande vacht rond de hals.
Kroeshaar: Gekrulde vacht, waarbij de krullen gevormd worden door de zachte ondervacht.
Kruis: Laatste deel van de rug tussen darmbeenknobbels en staartaanzet.
Kruisen: Het kruisgewijs neerzetten van de voeten tijdens het gaan.
Kruisgebit: Stand van de tanden waarbij een gedeelte van de bovenkaak een schaargebit vormt en het tegenoverliggende gedeelte van de onderkaak een onderbeet is.
Krulhaar: Vacht die sterk krult.
Krulstaart: Staart die in een gesloten ring over de rug gedragen wordt.
Kurketrekkeroor: Gedraaid, hangend oor.
Kurketrekkerstaart: Korte staart waarvan de wervels niet regelmatig achter elkaar, maar verdraaid en geknikt liggen.
Kwalificatie: Waardering van een beoordeelde hond op exposities, gegeven door een bevoegd keurmeester.
Kynologie: Wetenschap over de hond. Deze tem wordt ook gebruikt om de hondensport in het algemeen aan te duiden
Kynoloog: Kenner van honden. Algemeen wordt er ook de liefhebber van honden mee bedoeld.
L
Laagbenig: Zie: kortbenig.
Laaggesteld: Honden waarvan de bodemafstand kleiner is dan de borstdiepte.
Labiel: Wankelbaar.
Lachen: Het aan de zijkanten optrekken van de bovenlippen.
Lange honden: Honden die op het zicht jagen.
Lange jacht: Jacht met honden die alleen hun gezichtsvermogen gebruiken.
Lange neus: Het vermogen om het wild op grote afstand te ruiken.
Langharig: Lang, aanliggend haar met dunne en zachte bovenvacht.
Leverkleurig: Vooral bij jachthonden gebruikte aanduiding voor een lichtere bruin tint.
Loboor: Bij de aanzet smal oor dat geleidelijk breder uitloopt en aan de punt afgerond is.
L.O.F.: Livre des Origines Français (Franse stamboom)
Loopsheid: Periode in de cyclus van de teef, waarin ze vruchtbaar is.
Lopende honden: Zie brakken.
Los front: Door onvoldoende stevige bespiering niet goed aanliggende en teveel bewegende schouderbladen en/of ellebogen.
L.O.S.H.: Livre des Origines Saint-Hubert (Belgische stamboom). Buiten het L.O.S.H. zijn er nog A.L.S.H. (Annexe au Livre des Origines Saint-Hubert) en R.I.S.H. (Registre Initielle Saint-Hubert). Alleen het L.O.S.H wordt door de FCI erkend.
Luid geven: Zie hals geven.
M
MAG-test: De test Maatschappelijk Aanvaardbaar Gedrag, gedragstest voor honden, waarbij de agressie wordt getest
M-hond: Hond die op exposities de kwalificatie matig krijgt.
Maagtorsie: Een draaiing van de maag om de lengteas, waardoor het spijsverteringskanaal afgesloten wordt.
Mantel: Kleur die het lichaam bedekt met uitzondering van de benen, de hals en de staart.
Markeren: Het opmerken van de juiste plaats waar aangeschoten wild beland en deze plek onthouden.
Masker: Donker gekleurde voorsnuit van lichter gekleurde honden, meestal zwart maar soms ook anders kleurig.
Meute: Groep brakken die wild achtervolgen.
Min: Een teef die pups van een andere moederhond voedt.
Monorchisme: Het niet ingedaald zijn van één testikel.
Muzzle: Voorsnuit.
N
Naakthonden: Honden die volledig haarloos zijn, óf alleen op het hoofd, aan de benen en op de staart behaard zijn.
Nauw gaan: Het te dicht naast elkaar plaatsen van de voor- en/of achterbenen tijdens de beweging.
Neusrug: Deel van de neus dat loopt van de neusspiegel tot aan de stop.
Neusspiegel: Voorste, onbehaarde deel van de neus, waarin de neusgaten liggen.
N.H.S.B.: Nederlands Hondenstamboek (Nederlandse stamboom).
O
Oorbellen: Lange haren met zwarte haarpunten.
Onzuivere brand: Donkere vlekjes in de vaalgele tot bruinrode aftekening van het tan patroon.
Open oor: De gehoorgang wordt niet bedekt door de oorschelp.
Otterstaart: Korte en dikke staart die geleidelijk dunner wordt naar de staartpunt toe.
P
Platen: Grote vlekken op een lichte onderkleur.
Pronkrug: Streep haren op de rug die in tegenovergestelde richting groeien.
Prefix: Als de kennelnaam voor de roepnaam van de hond wordt geplaatst.
R
Racy: Op snelheid gebouwd.
Rashondenlogboek: Bij de Raad van Beheer te verkrijgen boekje waarin gegevens en behaalde resultaten van u hond geregistreerd worden
Raspunten: Een aantal eigenschappen waaraan rashonden moeten voldoen.
Red Fawn: Rood reekleurige vacht.
Ring: Afgebakende ruimte op de exposities waarin de honden geshowd en gekeurd worden
Ringcommissaris: Een persoon die onder verantwoordelijkheid van de ringmeester administratieve werkzaamheden moet verrichten.
Roest: Donkere vlekken in de vaalgele tot bruinrode aftekening van het tan-patroon.
Rollend gangwerk: Een schommelende beweging van het lichaam, het lijkt net dat de hond zich deinend voortbeweegt.
Ruwhaar: Een bovenvacht van stugge, lichtgegolfde haren met wollige, vettige ondervacht.
S
Sabel: Grijze, bruine of oranjerode vacht, al dan niet met zwarte haarpunten
Scherp: Een hond die neiging tot bijten vertoont. Niet uit angst maar door agressie.
Schimmel: Gemêleerd witte met een andere kleur haren zoals bijvoorbeeld bij Engelse Cocker Spaniel.
Schoft: Het deel van het lichaam waar de nek overgaat in de rug. De toppen van de schouderbladen wordt aangehouden voor de meting.
Schotschuw: Angst voor het geluid van schoten en andere harde, plotselinge geluiden.
Spreidvoeten: Voeten waar de tenen niet goed van aangesloten zijn.
Standaard: Een lijst van eigenschappen waaraan alle rashonden moeten aan voldoen.
Stamboek: Boek waarin de afstamming van rassen wordt opgenomen.
Stamboom: Door de Raad van Beheer afgegeven bewijs van de afstamming van de rashond.
Steil: Te weinig hoekingen in de voor en/of achterhand.
Steppen: Het te hoog optillen van de voorbenen.
Stokhaar: Kort, hard, grof haar
Stuwen: Het stevig afzetten met de achterbenen tijden het lopen.
T
Tan: Geelachtige tot roodbruine aftekeningen aan het hoofd, op de borst, aan de benen en de onderzijde van de staart. Black and tan: zwart met tan aftekeningen;
Blue and tan: blauw/blauwgrijs met tan aftekeningen; Liver and tan: bruin met tan aftekeningen.
Tanggebit: De onder- en bovensnijtanden staan precies op elkaar.
Tastharen: Lange, dikke en zeer harde haren aan het hoofd.
Telgang: Het gelijktijdig naar voren bewegen van beide linker- dan wel rechterbenen.
Terrier: Een groep honden die als taak had rooftuig op te ruimen en daarvoor ook onder de grond werkte.
Ticking: Kleine vlekjes op een witte ondergrond.
Tipoor: Staand oor, waarvan het bovenste gedeelte naar voren valt.
Tonvormig: Ribben die sterk gerond verlopen.
Top knot: Rijkelijke schedelbeharing die een kuif vormt ( Poedel ).
Tricolo(u)r: Zie driekleur.
Trimmen: Het plukken van de bovenvacht van ruwharige honden.
Tulpoor: Zie vleermuisoor.
Turnup: Opgebogen onderkaak.
Type: De karakteristieke kenmerken van een bepaald ras.
V
Vang: Voorsnuit.
Veldwedstrijd: Wedstrijd om de kennis van de jachthond in het veld vast te stellen.
Vieräugler: Hond met een lichte vlek boven ieder oog.
Vinnen: Rijkelijke beharing aan de voeten.
Vlag: Staartpluim.
Vleermuisoor: Staand oor, breed aan de basis en aan de bovenzijde een afgeronde punt.
Voorhand: De schoudergordel en de voorbenen.
U
U-hond Hond: Hond die op exposities de kwalificatie Uitmuntend heeft behaald.
Undershot: De tanden van de onderkaak staan voor tanden van de bovenkaak.
Uitdrukking: Gezichtsuitdrukking van de hond.
W
Wammen: Zware keelhuidplooien (Bloedhond).
Will to please: Werklust; de wil van de hond om zijn baas een plezier te doen.
Windhonden: Groep van honden die op het zicht jaagt.
Wipneus: Enigszins hol verlopende neusrug (Pointer).
Wisselneus: Een van kleur veranderende neus.
Wolfsklauw: Zie hubertusklauw.
Wall eye: Zie glasoog.
Wheaten: Tarwekleurig.
Whiskers: Baard bij Airedale, Lakeland en Welsh Terrier.
Workingtest: Apporteerproef.
W.K. Hirschfeldstichting: Particuliere stichting die de gezondheid van de rashondenpopulatie in de gaten houdt, heupfoto's en elleboogfoto's beoordeelt, oogonderzoek doet, enz.
Y
Yellow liver: Bruin-gele Labrador Retrievers met de ongewenste genetische samenstelling.
Z
Zadel: Zwart kleurpatroon in de vorm van een zadel zoals bij de Airedale Terriërs.
Zadelrug: Slappe, doorgebogen rug.
Z.G-hond: Hond die op exposities de kwalificatie Zeer Goed heeft behaald.
Zijdehaar: Lang zacht haar waarbij onderhaar en bovenhaar bijna niet te onderscheiden zijn.
Zwaardstaart: Lange staart die bijna recht naar beneden gedragen wordt.
Zwanehals: Een gebogen hals die lang en dun is zoals bij het Italiaans windhondje.
Zweethonden: Honden die een zweetspoor volgen.
Zwevend gangwerg: De hond loopt zeer lichtvoetig.
